Samenvatting hfst 1: eerste kennismaking
1.1. Inleiding: niet iedereen leeft even lang
Sociale ongelijkheid via onderwijs
Zowel mannen als vrouwen met diploma hoger onderwijs hogere levensverwachting dan
degene met lager diploma
Kans op arbeidstevredenheid neemt toe naar gelang het opleidingsniveau
<<uitgangspunt in Westerse samenleving = meritocratisch: wie hard werkt zal succesvol zijn
MAAR : schooldrop, kloof bij zittenblijven bij kinderen van lagere sociale klassen IQ = erfelijk?
Vanaf jaren 50’ ook verklaringen zoeken bij psychologie, sociologie en sociaalpsychologische
factoren sociale omgeving = heel belangrijk bij sociologie
Sociologen: kijken naar relaties en interacties tussen de actoren die van belang zijn en hoe
deze relaties en interacties worden beïnvloed door sociale positie
<<actoren = leerkrachten, ouders
<<Hogere opleiding leidt tot materiële voordelen en bepaalt ook persoonlijke vorming. Dit komt
finaal tot uiting in een hogere levensverwachting
1.2. De sociologische verbeelding
Drie theorieën die de algemene werkwijze sociologen uitleggen:
1. Werkomstandigheden ouders –> Waardenoverdracht
<<onderzoek van Kohn en collega’s: arbeidsomstandigheden ouders bepalen de waarden die
ouders doorgeven aan kinderen bv. Ouder die leidende positie heeft stelt creativiteit en
eigen initiatief nemen voorop vs. Ouder die geleidt wordt stelt gehoorzaamheid voorop
2. Cultureel kapitaal theorie / kennis onderwijssysteem theorie
= scholen hebben bepaalde verwachtingen over de leerlingen die geen rekening houden met
de verschillende sociale klassen bv. Met het gezin naar de opera gaan en daar bepaalde
competenties opdoen bv. Naar de bibliotheek gaan/ veel boeken lezen
Ook vandaag de dag zijn die bepaalde aannames van scholen over competenties
opdoen niet representatief
Ook kennis van het onderwijssysteem is cultureel kapitaal volgens B. bv. Welke
studierichtingen zijn er?
Leerkrachten behandelen alle leerlingen op dezelfde manier, ze houden vaak geen
rekeningen met deze culturele verschillen
3. Verwachtingseffecten bij leerkrachten self-fulfilling prophecy
<Rosenthal en Jacobson (1968)
Deze twee onderzoekers trokken naar verschillende scholen met een
intelligentietoets op basis hiervan verdeelden zij de leerlingen in twee groepen
(succesvolle leerlingen en degene die minder zouden scoren in het leven) zij
deelden deze kinderen niet in op basis van hun intelligentietesten scores
, Groepen die succesvol werden aangeduid deden het de tweede keer ook weer goed
op test en mindere studenten deden het ook minder = self-fulfilling prophecy
Onbewust geven leraren extra aandacht aan leerlingen die in succesvolle groep
zitten waardoor die leerlingen boodschap kregen dat zij het wel goed zouden doen
Als leraren lesgeven in scholen met veel lage klassen kinderen zullen de
verwachtingen van leraren lager liggen waardoor leerlingen ook lager zullen scoren
= illustratie algemene werkwijze sociologen: sociale posities interacties gedragingen in
verschillende situaties
Sociologische verbeelding
= individuele gebeurtenissen plaatsen en verklaren vanuit het geheel van sociale relaties die zelf een
specifieke historische oorsprong hebben.
De mens staat centraal: niet als individu maar als subject
<<subject = vertegenwoordiger van sociale eenheid of een sociale categorie
= homo sociologicus: individu bestuderen maar niet vanuit individuele biografie maar vanuit een
bepaalde vertegenwoordiger
Toepassen sociologische verbeelding voorbeeld:
<<in verband brengen van maatschappelijke fenomenen die op het eerste zicht niks met elkaar te
maken hebben: bv. Daling jeugdcriminaliteit door legalisatie van abortus WANT minder ongewenste
kinderen die zouden bijgedragen hebben aan criminele geweld
1.3. Van gedrag tot samenleving
Samenleving:
= het geheel van sociale relaties waarvan we deel uitmaken. Het historische verloopt bepaalt het
uitzicht van een specifieke samenleving
studieobject sociologie = de samenleving
Bestuderen we vanuit deze samenhang van begrippen.
Context
Sociale interactie
Gedrag
1.3.1. Gedrag
Max Weber maakt onderscheid tussen gedrag – handelen – sociaal handelen
Gedrag: elke actie of reactie van een individu met zowel een objectief waarneembare als
subjectief waarneembare dimensie
Objectief waarneembare dimensie of externe componenten van gedrag: kunnen
door ten minsten twee individuen, alter en ego, waargenomen worden
, Subjectief waarneembare dimensie of interne component van gedrag: enkel door
ego waarneembaar
<<motivationele component met o.a. zucht naar sociale erkenning, zucht naar
controle en seksuele lust
<<emotionele component met o.a. angst, schaamte, schuld
<<cognitieve component
<<reflexieve component: beeld dat je van jezelf vormt
1.3.2. Sociaal handelen
Binnen het hele gamma van gedragingen nemen handelen en sociale handelingen een bijzondere
plaats in.
Handelen: gerichtheid op een object, realisatie van een doel, doelgerichtheid
<<je maakt een mentale projectie van iets wat in de toekomst zal gebeuren - motief
Bv. Kijken = handelen en zien= gewoon gedrag WANT je kijkt bewust of er rookverbodbordjes
hangen want je hebt de intentie om straks te roken vs. Je ziet de bordjes wel hangen maar
bent je er niet bewust van want je rookt toch niet
Sociaal handelen: doelgericht gedrag naar anderen toe. Actor houdt rekening bij het plannen
van zijn/haar handelen met wat anderen deden, doen of kunnen doen.
<<imitatie en massagedrag zijn geen voorbeelden van sociaal handelen (bv. Het regent en
iedereen steekt paraplu op doe je niet omdat je rekening houdt met anderen)
<< 4 motieven van handelen volgens Weber
1. Instrumenteel rationeel handelen
Motief = pragmatisch
De actoren wegen af welke middelen het best geschikt zijn om een bepaald doel
te bereiken
Bv. Je trouwt met een oud & rijk persoon omdat je dan snel al zijn geld over zult
erven (efficiëntie)
2. Waarde rationeel handelen
Motief = axiologisch
Je vindt de handeling op zich zo waardevol dat je ze stelt mensen laten zich
leiden door hun religieuze roeping, inherent plichtsgevoel
Bv. Je trouwt met iemand omdat je de handeling van trouwen op zich heel
waardevol vind (inherente waardevolheid van de handeling zelf)
3. Affectief handelen
Motief = affectief
Je volgt je gevoelens en stelt daarom de handeling
Bv. Je trouwt omdat je smoorverliefd bent
4. Traditioneel handelen
Motief = traditie
Je stelt de handeling uit gewoonte ( MAAR je bent je er wel bewust van want
anders is het gedrag)
Je trouwt omdat iedereen in je familie getrouwd is
Tegenovergestelde van traditioneel handelen = reflexief handelen nadenken
over de richting die actor wenst uit te gaan, stoppen met traditie bewust
, 1.3.3. Interactie
= wordt gevormd door handelingen van een persoon én de reactie daarop door een ander persoon
Opdat en omdat motieven: Mensen handelen opdat iets gerealiseerd zou worden
Bv. Een hand uitsteken: ene persoon doet dat OPDAT andere persoon de hand zou groeten.
Als de andere persoon dit gebaar als groet interpreteert schudt hij de hand OMDAT de ene
persoon tot begroeten overging
OPDAT = doel realiseren door ene persoon (initiatiefrecht)
OMDAT = beantwoording door andere persoon (volgplicht)
Bij een geslaagde onderlinge afstelling van opdat en omdat motieven = interactie
1. Conformiteit: overeenkomen qua interactieregels en je aan elkaar aanpassen
Wederzijds akkoord over wat in de interactiesituatie zal gebeuren
Anderzijds akkoord over hoe die overdracht zal gebeuren
<<tegengestelde conformiteit = deviantie
2. samenwerking
= sociale eenheden proberen samen een doel te realiseren (conformiteit is hier een deelaspect van;
je moet eerst overeenkomen qua interactieregels)
3. Conflict
Conflicten over verdeling bij schaarse middelen
Conflicten over waarden, aanzien en macht
<<kunnen ook positieve bijdrage leveren als stimulus voor ontwikkeling nieuwe regels of oude
regels herbevestiging Samenleving wordt door conflict wakker geschud
4. Ruil
Principe van wederkerigheid (als je iets geeft, moet je iets terugkrijgen)
Verdelende rechtvaardigheid met baten en kosten bv. Moeder kookt en dit kost haar tijd
kind is dankbaar dus moeder baadt
1.3.4. Stolling van interactie in cultuur en structuur
uit interacties groeien cultuur en structuur
Cultuur: gedeelde betekenis die mensen aan het handelen en de objecten uit hun omgeving
toekennen en die geformaliseerd worden in waarden, normen, overtuigingen en wetten
Structuur: geheel van posities van actoren en vorm van interacties en relaties tussen actoren
zoals arbeidsspecialisatie (actoren voeren verschillende taken uit), delegeren (alle macht
naar één persoon)
structuur en cultuur stollen door interacties en worden weer vloeibaar door interacties (als
niemand zich aan waarden cultuur houdt bv. Stolt cultuur)
1.3.5. Context
Doordat mensen met elkaar gaan interageren ontstaat er een bepaalde context
bepaalde factoren die context bepalen:
Les avantages d'acheter des résumés chez Stuvia:
Qualité garantie par les avis des clients
Les clients de Stuvia ont évalués plus de 700 000 résumés. C'est comme ça que vous savez que vous achetez les meilleurs documents.
L’achat facile et rapide
Vous pouvez payer rapidement avec iDeal, carte de crédit ou Stuvia-crédit pour les résumés. Il n'y a pas d'adhésion nécessaire.
Focus sur l’essentiel
Vos camarades écrivent eux-mêmes les notes d’étude, c’est pourquoi les documents sont toujours fiables et à jour. Cela garantit que vous arrivez rapidement au coeur du matériel.
Foire aux questions
Qu'est-ce que j'obtiens en achetant ce document ?
Vous obtenez un PDF, disponible immédiatement après votre achat. Le document acheté est accessible à tout moment, n'importe où et indéfiniment via votre profil.
Garantie de remboursement : comment ça marche ?
Notre garantie de satisfaction garantit que vous trouverez toujours un document d'étude qui vous convient. Vous remplissez un formulaire et notre équipe du service client s'occupe du reste.
Auprès de qui est-ce que j'achète ce résumé ?
Stuvia est une place de marché. Alors, vous n'achetez donc pas ce document chez nous, mais auprès du vendeur merelv.o1. Stuvia facilite les paiements au vendeur.
Est-ce que j'aurai un abonnement?
Non, vous n'achetez ce résumé que pour €6,49. Vous n'êtes lié à rien après votre achat.